Home
Johanna Hendrika’s website
Verder
De stilte kan op het eiland Ruhnu oorverdovend zijn. Op een zonnige zondagmorgen fiets ik van het haventje naar het dorp, dat uit enkele tientallen verspreide huisjes bestaat, rondom de kerk. Nergens iemand te zien, het enige geluid is dat van de vogels. Volgens de gids moet er een winkeltje zijn en na enige tijd zie ik in een heg een poortje met een houten bord erboven, met in het Ests de tekst 'Louise's winkel'. Er staat een bordje met openingstijden op de deur en om tien uur wordt deze geopend. Later hoor ik van Dick dat de winkel op zondag gesloten is, maar speciaal voor mij werd geopend. Alles wat je dagelijks nodig hebt is er te koop, voor bijzondere inkopen gaan de bewoners met de veerboot naar het vasteland. Ruhnu werd vanaf de dertiende eeuw bewoond door Zweedse vissers en landbouwers. In de negentiende eeuw had het eiland ongeveer 350 inwoners. In augustus 1944 vluchtten de Zweden voor het naderende Sowjetleger naar het moederland; op het ogenblik wonen er tussen de 60 en 70 mensen. Na de Tweede Wereldoorlog werd het eiland bewoond door Esten, afkomstig van de omliggende eilanden. Na de Estse onafhankelijkheid is er een compensatieregeling gekomen voor de eigendommen van de gevluchte Zweden. We spreken een Zweedse nakomeling van zo'n gevlucht gezin. Hij heeft het land en het huis van de familie teruggekregen en gebruikt het nu 's zomers als tweede woning. Als Joke en ik 's middags over het eiland fietsen is het nog steeds even stil om ons
heen. We zien fruitbomen in het wild en langs de weg groeien allerlei keukenkruiden. In het middelpunt van het dorp staan twee kerkgebouwen, een natuurstenen kerk uit het begin van de twintigste eeuw, maar ook nog de zeventiende eeuwse houten kerk, die destijds te klein geworden was, maar zorgvuldig in stand wordt gehouden. Tegenwoordig is het eiland per veerdienst bereikbaar en komen er wat kampeerders, vooral uit eigen land. 's Winters gaan er vanwege de ijsgang geen veerdiensten en is men voor vervoer naar het vasteland op een vliegtuigje aangewezen. De landingsbaan, een flink grasveld, is vlakbij de haven. We willen nog wel een dagje blijven en hopen nog wat meer van het eiland te zien. Het weer strooit echter roet in het eten. Het giet de volgende dag en de wind draait naar
het noordoosten en neemt toe tot zes. De golven beginnen de haven binnen te lopen en we doen ons best om de stootwillen op zijn plaats te houden. Als Dick roept dat er een kapot stoot schiet ik mijn jas aan en vlieg naar buiten. Ik sta nog te kijken welke er kapot is als ik een harde knal hoor en de boot naar voren zie schieten. Twee van de stalen ogen, waaraan de boot vastgemeerd ligt, zijn af gebroken. Joke roept Dick, die de motor start, maar we vliegen al het de waterstag tegen de steiger voor ons op. Met de motor in de achteruit komen we weer vrij. De houten steiger rust op stalen balken waar gelukkig ruimte is om lijnen omheen te zetten en zo wordt de boot opnieuw vastgemaakt. De havenmeester, die inmiddels is gearriveerd, kijkt bezorgd. Als de wind verder naar het oosten draait en toeneemt, lopen de zeeën recht de haven in. Hij denkt er al aan om lijnen vanaf ons schip naar de andere kant van de haven te spannen. Op in zijn computer in het havenkantoor bekijken we de weerkaart. De wind draait naar het zuidwesten, zodat het water in de haven wat rustiger wordt, en zal tegen de avond afnemen. Dat gebeurt inderdaad en 's avonds keert de stilte weer.
We zouden de volgende morgen vroeg naar Riga vertrekken, maar dat stellen we een dag uit om de schade van de vorige dag te herstellen. De waterstag wordt weer strak gezet en ook de kluiver- en achterstagen. Er was ook nog wat achterstallig stikwerk aan de bezaan, dat eveneens wordt uitgevoerd. Na nog een wandeling zit ons bezoek aan Ruhnu er weer op. dinsdag 15 juli 2008
Op Ruhnu
Oostzeereis 2008
Terug